Patricia De Landtsheer
Auteur
Zullen we samen schuilen? Een kleine jongen in Oradour Zaterdag 10 juni 1944. Er is geen wolkje aan de hemel in het Franse dorpje Oradour en niets wijst op het naderende onheil. Maman Godfrin maant haar kinderen aan om voort te maken. Het is tijd voor de school. Even voordien heeft Roger voor het kelderraam Duitse soldaten opgemerkt. De kinderen zijn een beetje bang, maar maken zich toch klaar. Roger wacht niet op zijn treuzelende zusjes, maar hij blijft op zijn hoede. Op school worden de kinderen uit de houten barak naar het stenen gebouw aan de overkant gebracht. Enkele Duitse soldaten spreken de meester aan. Roger vermoedt onraad en besluit overhaast om zijn kans te grijpen. Hij vlucht weg naar het bos achter het kerkhof. Overal klinkt het geluid van machinegeweren. In enkele tellen staat het dorp in brand. Die dag worden in Oradour ongeveer 642 mensen koelbloedig vermoord. Slechts een dertigtal dorpelingen overleven, meestal omdat ze niet thuis waren; enkelen konden uit de hel ontsnappen. Terwijl hij wegloopt vangt Roger nog een glimp op van zijn oudste zus en dan verdwijnt hij in het bos. Maar ook daar is het niet veilig. Een kogel treft hem rakelings en zijn hondje Bobby dat hem achternaliep blijft voor dood liggen. Gabriel, een man uit een nabijgelegen gehucht vindt de jongen en brengt hem naar een kasteeltje, waar hij goed onthaald wordt: er is eten, een warm bed en een dokter die zijn wonde verzorgt. Een vriendelijk meisje Sophie vertelt hem dat Oradour totaal verwoest is, iedereen is weg. Gevlucht? Roger wil het maar al te graag geloven. Hij hoopt dat hij zijn ouders, zijn zussen en zijn kleine broer zal terugvinden. Toch knaagt de twijfel en daarom wil hij terug naar het dorp. Als Gabriel verder trekt, gaat hij niet mee, maar hij wil ook niet op het kasteel blijven bij de andere onderduikers s' Nachts vlucht hij weg. In het bos duikt onverwachts zijn maatje Bobby terug op. Nu kunnen ze samen schuilen. In het verwoeste Oradour waart alleen de dood nog rond. De enkele mensen die hij er aantreft sturen hem weg. Roger moet verder. Een oude Joodse man wijst hem de weg naar een boerderij waar hij opnieuw gastvrij onderdak vindt. Roger vertrouwt echter de zoon Charles niet en trekt weer alleen verder. Op zijn tocht ontmoet hij verzetslieden op weg om in Limoges een treinstel op te blazen. Daarna is het weer ieder voor zich. Om Duitse patrouilles te ontwijken schuilt hij in leegstaande huizen en hij steelt brood om de honger te stillen. Als bij wonder ontmoet hij opnieuw het Joodse meisje Sophie. Zij neemt hem mee naar haar tante, maar ook daar is het niet veilig. Na nog meer omzwervingen belanden Roger en Bobby bij Emile, de broer van zijn moeder, die zijn neefje adopteert. Roger, het enige kind dat de slachting van Oradour overleefde, heeft eindelijk een nieuwe thuis gevonden. Het ontroerende verhaal van Roger Godfrin toont heel direct de gruwel van de oorlog, maar ook de veerkracht en de vindingrijkheid van een kleine jongen die met de hulp van goede mensen wist te overleven. De authenticiteit maakt de grote kracht uit van dit boek. De personen die deze gruwelijke dingen meemaakten hebben echt geleefd. Achteraan in het boek staan enkele foto's en de auteur geeft ook precies aan waar feit en fictie elkaar raken. De taal is misschien niet altijd die van een achtjarige jongen, maar eerder die van de volwassen Roger die vertelt wat hij als kind meemaakte. In het nawoord zoekt de auteur ook een antwoord op de prangende vraag waarom deze gruwelijke slachtpartij plaatsvond. Rita Ghesquiere
Alle rechten voorbehouden Patricia De Landtsheer 2016 ©